Brug

De rivier vormde het landschap en bepaalde de bereikbaarheid. De brug was de menselijke verovering van de ruimte op de rivier. De mens sloeg een brug naar de andere oever en verzamelde daarmee het land rond de rivier.
Volgens Norberg-Schulz (naar Heidegger) maakt de brug een plek aan de rivier uit het aanbod van vele plaatsen langs de rivier. Grote steden langs een rivier ontstonden bij een plaats in de rivier waar men kon oversteken. Naarmate de stad aan beide kanten van de rivier groeide vierde men dat met een vaste verbinding in de vorm van een brug. Gelijk in Rotterdam met de brug naar de Kop van Zuid.

De bruggen uit de middeleeuwen waren niet herkenbaar als bruggen over de rivier. Zij vormden een ruimtelijke continuïteit met de straten van de stad. Gebouwen aan de rand van de brug blokkeerden het zicht op de rivier. Eén van de weinige overgebleven ‘levende’ bruggen is de ponte Vecchio in Florence en de formele Rialto-brug in Venetië. De bewoonde brug is meer dan een kruising van wegen, bij de brug kruist de stad haar levensader; zij vormt een hart met twee verdiepingen.

Bruggen vereisen een constructie van hoog technisch kunnen. Met de uitvinding van de boog door de Romeinen ontstonden de eerste bruggen in steen. Tot het industriële tijdperk was daarom de brug gebonden aan een bepaalde overspanning. Bij een ondiepe rivier werd dit opgelost door de bogen te herhalen. Met de introductie van beton, maar vooral staal werden grotere overspanningen mogelijk. De schaal van de Golden Gate bridge in San Francisco, een brug met een overspanning van een slordige 1260 meter, gaat het verstand te boven. Evenals de eindeloze repetitie van elementen zoals bij de Zeelandbrug. De mens wordt door zijn eigenhandig vervaardigde constructies op zijn nietigheid gewezen. Hij ziet zijn momentele positie op de brug, maar kan zich geen plaats geven op de brug. Is dit subliem? Wat (h)erkend wordt als subliem is de grootsheid of uitgestrektheid van de natuur. Wanneer een Romeins viaduct -voor de mensen in die tijd iets van ongehoord menselijk kunnen- zich verheft in een dal met een repetitie van bogen? Of wanneer Maillart een betonnen schaalbrug construeert rank opgespannen tussen twee steile berghellingen, een constructie waarbij je je afvraagt hoe ze het in vredesnaam voor mekaar hebben gekregen? Is het de lichtheid van de brug of toont het verdwaalde element van menselijke vestiging in de wilde natuur juist die ongenaakbare natuur? In ieder geval lijkt noch de brug, noch het landschap een plek te bieden voor de mens.

De brug is een teken van menselijke bewoning van het landschap, een brug overwint de rivier, tart de natuurkrachten van de stroom. De rivier wordt door de brug geplaatst in een ander kader, dat van de menselijke bewoning. De mens verplaatst zich over grote natuurlijke barrières door middel van produkten van haar eigen kunnen en beschaving, maar heeft zich tegelijkertijd van deze producten vervreemd. De paradox van de brug.